Waarom ongelijkheid niet automatisch onrechtvaardig is

 ‘De rijken worden rijker, en de armen worden armer.’  Een veelgehoorde uitspraak met de suggestie dat deze twee verschijnselen causaal samenhangen. Sinds de opkomst van Thomas Piketty is ongelijkheid een ‘hot topic’. Zo presenteert Oxfam Novib ieder jaar een rapport dat de mondiale ongelijkheid in kaart brengt. Op haar site heeft Oxfam Novib staan: ‘Slechts 26 miljardairs bezitten evenveel als de armste helft van de wereldbevolking. Dat is te ongelijk. Daarom voeren wij actie tegen deze extreme ongelijkheid. Samen maken we het eerlijker.’[1] In hoeverre is materiële ongelijkheid op zichzelf iets fundamenteel oneerlijks? Of zou onze prioriteit elders moeten liggen?

In de eerste plaats is het belangrijk om te erkennen dat ongelijkheid iets totaal anders is dan armoede. Simpel gezegd kunnen de oude jager- en verzamelaarsamenlevingen worden gekenmerkt als egalitaire gemeenschappen. Dit is echter geen enkele indicatie voor de materiële middelen die zij ter beschikking hebben. Toch blijft het idee dat groeiende ongelijkheid hand in hand gaat met een verpaupering van de onderklasse hardnekkig. Thomas Piketty schrijft: ‘ De armste helft van de menselijke bevolking is nu net zo arm als ze dat in 1910 waren, met maar 5 procent van het totale wereldvermogen in hun bezit’.[2] Alleen vergeet hij te vermelden dat het totale wereldvermogen vandaag de dag ‘iets’ groter is dan in 1910. Deze armste helft van de wereldbevolking is er dus relatief gezien op vooruit gegaan. Met andere woorden: het idee dat grotere ongelijkheid meer armoede impliceert komt voort uit de misvatting dat er een vaste hoeveelheid rijkdom is, dat door alle tijden heen hetzelfde zal blijven. Rijkdom is in deze perceptie  een zebrakarkas; als de leeuwen veel hebben blijft er minder voor de aaseters over. Dit voorbeeld geeft ook de zwakte van ongelijkheidsstatistieken weer. Zij weergeven enkel de positie van individuen ten opzichte van elkaar. De statistieken laten in het midden of de bestaansmiddelen überhaupt toereikend zijn. Daarom komt de filosoof Harry Frankfurt tot de conclusie dat betreffende inkomensverdeling het moreel is dat iedereen genoeg heeft, in plaats van iedereen evenveel.[3] Indien ook de ‘armen’ genoeg hebben om een acceptabel niveau van welzijn te bereiken is er moreel gezien niks onrechtvaardig aan de situatie waarin andere individuen meer hebben. Dit alles sluit overigens niet uit dat ongelijkheid onrechtvaardig kan ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan imperialistische veroveringen. Wat in dit geval onrechtvaardig is, is niet de ongelijkheid zelf, maar de specifieke manier waarop inkomen is verworven.

Veel linkse critici hebben het inmiddels al over een andere boeg gegooid. Ongelijkheid is niet per definitie een kwestie van armoede, maar een kwestie van ‘macht’. Indien een aantal individuen zo rijk zijn ten opzichte van de rest, kunnen zij hun vermogen gebruiken om de democratie minder goed te laten functioneren. Hier komt dan vaak de theorie van een samenzwerende mondiale elite om de hoek kijken. Deze elite zou politiek gezien aan de touwtjes trekken. De democratie wordt gekaapt door de geldlobby. Hoe realistisch is dit idee? Marc de Vos toont aan dat binnen de zo gevreesde 1% juist een grote verscheidenheid aan politieke opvattingen heerst, ook over de wenselijkheid van bijvoorbeeld progressieve belastingen.[4] Daarbij zijn de individuen die deel uitmaken van de 1% ook werkzaam in totaal andere sectoren, die andere belangen hebben. Internetbedrijven hebben economisch gezien compleet andere belangen dan grote winkelketens, de bankenlobby heeft een ander belang dan grote ondernemingen opzoek naar goedkoop kapitaal. Het lijkt dus zeer onwaarschijnlijk dat de rijkste individuen ter aarde concreet het beleid in de westerse democratieën dicteren, gezien het feit dat ze nauwelijks een overkoepelend belang hebben.

Uiteraard zijn er ook genuanceerdere opvattingen als het gaat om de onwenselijkheid van ongelijkheid met betrekking tot een democratie. Zo valt niet te ontkennen dat rijke individuen in de Verenigde Staten simpelweg meer invloed hebben op verkiezingen omdat zij miljoenen kunnen uitgeven aan verkiezingscampagnes en lobbywerk. Daardoor evolueert het systeem van: ‘one man one vote’, naar ‘one dollar one vote’.[5] Maarten Boudry toont echter overtuigend aan dat dit geen probleem is dat causaal uit ongelijkheid vloeit. Het probleem zit hem dan eerder in het feit dat limieten op bijvoorbeeld campagnedonaties niet toereikend zijn.[6] Met deze realisatie kan men prima ongewenste politieke invloed van de rijken wegnemen zonder ongelijkheid an sich uit te bannen.

Met het boek van Richard Wilkinson en Kate Pickett, the Spiritual Level, werden andere argumenten tegen ongelijkheid aangehaald. Ieder mens heeft volgens hen een bepaalde vorm van statusangst. Hoe groter de kloof tussen arm en rijk, hoe groter het onderlinge ressentiment. Dit wordt in de sociologie ook wel de vergelijkingstheorie genoemd.[7] Als de rijken te rijk worden, voelen andere mensen zich arm en zo is ongelijkheid toch nadelig voor het algemeen welzijn. Volgens Wilkinson en Pickett leidt de statusangst ertoe dat in landen met meer ongelijkheid ook meer delicten, tienerzwangerschappen, gezondheidsklachten en zelfmoorden zijn. Er is bijzonder veel op deze theorie aan te merken. Het klopt dat veel mensen statusgevoelig zijn, maar met wie vergelijken we onszelf? Psychologisch gezien zijn we namelijk eerder jaloers op de mensen waar we onszelf mee vergelijken, dan op de onbereikbare miljardair op TV. Betrand Russell stelde: Bedelaars zijn niet jaloers op miljonairs maar op succesvollere bedelaars.’[8] Daarbij is de notie dat ongelijkheid in een land causaal zou samenhangen met negatieve fenomenen als ongezondheid absurd. Indien de Verenigde Staten al haar miljardairs deporteert naar Cuba, daalt de ginicoëfficiënt in dat land. Volgens de these van de auteurs zou er onmiddellijk een positief effect moeten zijn op de gezondheid van de gemiddelde Amerikaan.

Zelfs al zou de these van Wilkinson en Pickett waar zijn, dan kan nog steeds over de voorstellen worden getwist.  Is statusangst een rechtvaardiging voor herverdeling? Kan men omwille van de irrationele emoties van de massa inbreuk maken op het eigendomsrecht van anderen? Dit is uiteraard een totaal verkeerde gevolgtrekking. Net zo verkeerd als de stelling dat migranten toegang tot een land ontzeggen kan worden gerechtvaardigd door de ‘angst voor het onbekende’ van de autochtone bevolking. Men moet in dit geval niet toegeven aan deze sentimenten, maar juist de irrationaliteit ervan blootleggen.

Kortom, er is op zichzelf niets immoreel aan ongelijkheid. Men zou wel kunnen zeggen dat bepaalde oorzaken van ongelijkheid maatschappelijk onwenselijk zijn, maar dit is een compleet ander verhaal. Uiteraard is niet iedere maatregel die ongelijkheid tussen mensen verkleint onwenselijk. Mensen betalen via belastingen aan sociale voorzieningen die het welzijn van de gehele samenleving ondersteunen. Aangezien we in bijvoorbeeld Nederland progressieve belastingen hebben, werkt dit denivellerend. Dit is niet perse immoreel omdat het een compleet rationeel doel dient, waar verkleining van de ongelijkheid geen rationeel doel is.

  • Wim Hermans

[1] https://www.oxfamnovib.nl/armoede-verslaan/eerlijke-verdeling-welvaart-en-macht/geld-eerlijker-verdeeld

[2] Piketty 2013, p. 261. Problems with Piketty: Kane 2016; McCloskey 2014.

[3] Steven Pinker, Enlightenment Now, (New York 2018), p. 99.

[4] Marc de Vos, Ongelijk maar Fair, (Tielt 2015) p.306

[5] Maarten Boudry, Waarom de wereld niet naar de knoppen gaat, (Gent 2018), p. 127.

[6] Ibidem.

[7] Steven Pinker, Enlightenment Now, (New York 2018), p. 100

[8] Bertrand Russel, The conquest of Happines

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *