Straf zonder schuld

Mensen neigen intuïtief naar een libertarische opvatting van vrije wil. Vrije wil betekent dan dat wij mensen in staat zijn keuzes te maken zonder dat er interne of externe factoren spelen. Zoals de Amerikaanse neurowetenschapper Sam Harris het zegt: ‘mensen denken auteurs te zijn van hun eigen gedachten.’[1] Men handelt uit vrije wil indien wij zelf de oorzaak zijn van ons handelen, onafhankelijk van onze omgeving of van ons lichaam.  Wat wij echter doen met ons handelen, is reageren op prikkels waar we het ontstaan niet van kennen. Vrije wil wordt zo belemmert door de leer van het causalisme. Iedere toestand heeft een voorafgaande oorzaak. Toestanden kunnen zichzelf niet veroorzaken. Het moge duidelijk zijn dat wij onbewust zijn over de oorzaak van gedachten die in ons bewustzijn verschijnen. Deze onbewustheid impliceert dat er weinig vrijheid in het spel is. Anders zou iedere bewuste gedachte weer een voorafgaande bewuste gedachte moeten hebben. Hoe bewust of weloverwogen je je keuze ook probeert te nemen, je kunt uiteindelijk je eigen brein niet tegenspreken. Het ontbreken van vrije wel gaat desalniettemin tegen onze intuïtie.‘Men kijkt naar het leven, en alles lijkt willekeurig en vrij, maar dit is enkel omdat het onvoorspelbaar is’, aldus de neurowetenschapper Victor Lamme.[2]

In deze bijdrage zal ik de impact van het ontbreken van vrije wil op het strafrecht bespreken. Eerst kijken we naar een inhoudelijk element, te weten opzet en schuld. Zijn deze leerstukken nog te handhaven bij het ontbreken van vrije wil. Daarna komt ook het doel van het strafrecht aan bod.

Bij doleuze delicten is het van groot belang waar de opzet van de vermeende dader op is gericht. Bij voorwaardelijke opzet is de wil van de verdachte met betrekking tot de eventuele gevolgen van zijn of haar handelen zelfs van doorslaggevende betekenis. Het verschil in de strafmaat kan om jaren gevangenisstraf gaan. Hoe kunnen we dit rechtvaardigen wanneer iemands intentie, en zijn handelen naar deze intenties niet vrij is? Voor dit ‘probleem’ is een makkelijke oplossing te vinden. Wanneer iemand opzettelijk zijn vrouw ombrengt zegt dit wel iets over de aard van zijn persoonlijkheid. Hij is blijkbaar een persoon die in de gegeven situatie zo optreedt. Dergelijke personen zijn wellicht een grotere bedreiging voor de samenleving dan mensen die hetzelfde delict plegen, maar dan op een culpoze wijze. De straf wordt dan ook niet bepaald aan de hand van vergelding, maar aan de hand van een utilistisch principe van veiligheid (waarover later meer). De concepten als opzet kunnen dus nog best een praktisch nut dienen. Opzet weergeeft een bepaalde mentale staat, wat tevens iets zegt over het risicogehalte van iemand.

Waar het gebrek van vrije wil het strafrecht wel schade oplevert is bij het element schuld. Is de desbetreffende strafbare handeling iemand te verwijten? Ontoerekeningsvatbaarheid is een bekende schulduitsluitingsgrond.  Art. 39 Sr luidt: ‘niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis niet kan worden toegerekend.’ Met andere woorden: een gebrek aan ontwikkeling ten tijde van het begaan het strafbare feit is zo groot dat de wil van de dader niet meer geacht ‘vrij’ gevormd te zijn.[3] Deze wil is zoals we gezien hebben nooit vrij gevormd. Het zal in ieder mogelijk geval gaan om onbewuste neurologische processen. Schulduitsluitingsgronden excuseren de persoon van de verdachte. Daarom is naar mijn mening ‘verwijtbaarheid’ een waardeloos concept in het strafrecht, het veronderstelt het bestaan van een vrije wil en koppelt daar een andere strafmaat aan. De rechtsgeleerde Nico Kwakman kwam tot de conclusie dat we daarom van schuldstrafrecht moeten overstappen naar risicostrafrecht. In plaats van schulduitsluitingsgronden moeten we het hebben over risicouitsluitingsgronden die de persoon van de verdachte kunnen excuseren. Met risicouitsluitingsgronden wordt eerder bedoeld hoe groot de kans is dat de verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt.

Hoe je het strafrecht verder zou aanpassen is echter compleet afhankelijk van het doel wat het in eerste instantie zou moeten dienen. Is de eerder genoemde maatschappijbescherming wel het juiste streven? De dader zou ook kunnen ‘boeten’ voor wat hij anderen heeft aangedaan. Dit is de klassieke rechtvaardiging van het strafrecht: de vergeldingstheorie.[4] Het idee dat mensen op grond van hun gedragingen kunnen worden bestraft, gezien het gegeven dat zij in deze situatie anders hadden kunnen handelen. Een notie die enkel kan voortbestaan op basis van morele verantwoordelijkheid. Het ontbreken van vrije wil laat in eerste instantie weinig van dit concept over. We zullen eerder medelijden hebben met seriemoordenaars dan walging. Medelijden dat zij blijkbaar met deze genen en in deze situatie zijn geboren. Veel mensen vinden dit een weinig aantrekkelijk alternatief. Volgens de filosoof Peter Strawson is het zelfs maatsschappelijk zeer onwenselijk als we niet meer kunnen leven zonder ‘reactieve attitudes’. ‘We kunnen toch niet iedereen als geestelijk gestoorden of als kleine kinderen behandelen?’[5]

Rechtsgeleerden, zoals Ronald Dworkin, kiezen ervoor om een andere invulling aan vrije wil te geven. Deze invulling is eveneens een poging om de vergeldingstheorie te kunnen handhaven en sluit ook aan bij de compatibilistische benadering van vrije wil. De compatibilist erkent dat de eerder beschreven libertarische opvatting van vrije wil onzinnig is. Hij stelt echter wel dat er een bepaalde mate van vrijheid is. Soms wordt de mogelijkheid tot een bepaalde moreel gewenste uitkomst bij een persoon dusdanig beperkt. Een volwassene heeft meer ‘mogelijkheden’ zich te gedragen in overeenstemming met de maatschappelijk aanvaardbare norm dan een kind. Dit verschil rechtvaardigt volgens Dworkin om meer verantwoordelijkheid toe te reken aan de volwassene. Daarom ‘verdient’ de volwassene meer straf dan het kind indien zij beiden hetzelfde strafbare feit zouden begaan. De volwassene heeft meer capaciteit om de gevolgen van zijn eigen handelen te overzien, te reflecteren en vervolgens een rationele keuze te maken. Wilsvrijheid wordt zo eerder verbonden met typisch menselijke vermogens tot reflectie en overleg, en niet tot het vermogen om letterlijk je gedachten te kiezen. Zo kan men alsnog van verantwoordelijkheid spreken en hoeft de vergeldingstheorie van het strafrecht niet aan betekenis in te boeten. Men maakt echter de fout aan te nemen dat meer mogelijkheden tot bepaald gedrag gelijk staat aan vrijheid.  Het klopt dat een volwassene gezien zijn capaciteiten meer mogelijkheden heeft om zich ‘normaal’ te gedragen, niet dat hij daar ook meer vrijheid tot heeft. Hoe kunnen we dan alsnog spreken van morele verantwoordelijkheid?  Juristen kunnen dan wel het concept van vrije wil anders inkleuren, maar daarmee veranderen ze enkel het onderwerp. Retributie als doel van het strafrecht blijf rechtsom of linksom een irrationeel principe.

Hierop aansluitend stelde Lamme: ‘we hebben een zuiver utilitaristisch strafrecht nodig. Zonder al die morele aspecten. Rechtspraak zou niet moeten bouwen op concepten die tevens illusies zijn. De gedachten in het bewustzijn zijn niet relevant. Het is slechts een ‘platform’ waar ideeën in verwerkt worden. De echte dader was anderhalve kilo vet en eiwitten.’[6]

Ik deel de opvatting van Lamme als het gaat om het utilistische strafrecht. Ik ben het niet met hem eens wanneer hij stelt dat de rechtspraak in principe niet zou moeten bouwen op ‘concepten die tevens illusies zijn’. Het recht zit vol met begrippen die niet noodzakelijkerwijs corresponderen met de natuurlijke werkelijkheid. Neem bijvoorbeeld het bestaan van een rechtspersoon, een volstrekt denkbeeldig concept dat enkel bestaat in onze beleving. In onze samenleving wemelt het van deze ‘intersubjectieve’ entiteiten. Het is derhalve ook logisch dat het recht, wat een afspiegeling is van onze samenleving, hier op in speelt. Het recht is immers een poging om onze samenleving te ordenen. Het recht dient zich dan ook te passen aan onze (denkbeeldige) concepten.  Dus enkel de veronderstelling dat vrije wil niet bestaat is geen reden om het daarom uit het strafrecht te verbannen.  De verbanning van vrije wil uit het strafrecht moet ook het recht in het geheel effectiever maken, juist om te transformeren tot utilistisch recht.  

Kortom, het ontbreken van vrije wil heeft op twee manieren impact op het strafrecht. Het heeft invloed op het doel van het strafrecht. Dit in de zin dat het ontbreken van vrije wil ons leert wat dat doel niet zou moeten zijn, namelijk retributie. Vervolgens kunnen concepten die het strafrecht inhoudelijk vormgeven en in het teken staan van deze retributie, zoals verwijtbaarheid, worden vervangen voor effectievere maatstaven. Dit is de tweede vorm van impact die logischerwijs uit het eerder gestelde doel komt. Nu worden er nog regelmatig mensen opgesloten op basis van revanchistische principes. Het zal een bittere pil worden. Mensen hebben een natuurlijke vergeldingsdrang en dit is in veel gevallen ook logisch. Zijn we echter volkomen rationeel, dan moeten we erkennen dat iedere vorm van straf die niet noodzakelijkerwijs dient tot bescherming van de samenleving neerkomt op nodeloze wreedheid.

– Wim Hermans


[1] S. Harris, free will

[2] D. Roef, ‘Een compatibilistisch perspectief op vrije wil, controle en verantwoordelijkheid’

[3] M.J. Kronenberg en B. de Wilde, Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht 

[4] B. Roelen, Strafrecht zonder vrije wil?

[5] D. Roef, ‘Een compatibilistisch perspectief op vrije wil, controle en verantwoordelijkheid’.

[6] Ibidem.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *