Pleidooi voor beter onderwijs

Het is ons allen welbekend: de Nederlandse universiteiten en breder gezien het Nederlandse onderwijs presteert erg goed op zowel Europees als wereldniveau. Succes ontstaat en onderhoudt echter niet zichzelf. Voor duurzaam succes is noodzakelijk dat er een wil tot en geloof in vooruitgang is. Een wil tot vooruitgang is niet écht aanwezig bij degenen die stellen dat de Nederlandse universiteiten al tot de beste van de wereld behoren als het gesprek komt op de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs. Een geloof in vooruitgang is lastig in een systeem waarin universiteiten elkaar in evenwicht houden. Zeven Nederlandse universiteiten staan op de 17e tot en met de 24e plaats van de Europese ranglijst van beste universiteiten.[1] Dit geeft aan dat de concurrentie binnen Nederland laag is, hetgeen over het algemeen geen prikkel oplevert om de kwaliteit te verbeteren. Als geloof en wil ontbreken, hoe kan dan een hoog niveau van wetenschappelijk onderwijs gewaarborgd blijven in de toekomst?

Het wetenschappelijk onderwijs kan uiteraard niet als markt worden gezien. Dit betekent dat kwaliteit niet gewaarborgd kan worden door middel van de prijs, in dit geval collegegeld. Voor een kwalitatief betere universiteit hebben mensen meer geld over, maar dit betekent niet dat ze ook altijd de beste resultaten zullen behalen. De resultaten worden namelijk met name bepaald door twee factoren: de kwaliteit van de studenten (inherente kwaliteit, los van het aangeboden onderwijs) en de kwaliteit van het onderwijs. Universiteiten die een hoog collegegeld vragen zullen talentvolle studenten weren die het collegegeld niet kunnen opbrengen. De Verenigde Staten, altijd bruikbaar om Nederland in veel opzichten mee te contrasteren, zijn hiervan hét voorbeeld. Hoewel de kwaliteit van studenten niet gewaarborgd is in dit systeem, is dat anders als het gaat om de kwaliteit van het onderwijs. Hoe beter het aangeboden onderwijs, hoe hoger het collegeld is dat een universiteit zich kan permitteren te vragen.

Welke factoren bepalen wat ‘goed’ onderwijs is? Één factor is onze geschiedenis, of mogelijk de christelijke traditie. Omdat lang niet iedereen het erover eens is wat onze gedeelde geschiedenis is, of dit voor een belangrijk deel wordt bepaald door christelijke waarden en óf er überhaupt een christelijke traditie is, hebben we gelukkig artikel 23 Grondwet. De vrijheid die dit artikel toestaat bij het bepalen van wat goed onderwijs is, reikt (gelukkig) niet zo ver dat het ook de deugdelijkheid van het onderwijs betreft (lid 5). Dit kan bij wet nader geregeld worden. Daarom dat ook universiteiten niet meer kunnen rekenen op belastinggeld als ze wanpresteren. Artikel 23 wordt ook gerelativeerd door het EU recht, waardoor we niet de kwaliteit kunnen verbeteren door alle buitenlandse studenten te weren. Deze rigoureuze maatregel zal namelijk in ieder geval veel extra financiële ruimte creëren op de onderwijsbegroting, omdat meer buitenlandse studenten Nederlands onderwijs genieten dan Nederlandse studenten buitenlands onderwijs ondergaan. De vrijheid die spreekt uit artikel 23 wordt vertaald in gelijkheid, een gelijke behandeling tussen onderwijsinstellingen. Op basis van de Europese ranglijst kan gesproken worden van een zeer effectieve behandeling. De Grondwet gaat echter niet zó ver en staat een verschillende behandeling toe als de grond hiervan een verschil in kwaliteit is. Daarom kan de overheidsbijdrage per universiteit verschillen. Dit gebeurt al, maar nog onvoldoende.

De bekostiging van het wetenschappelijk onderwijs bestaat voor een groot deel uit een overheidsbijdrage die afhangt van het aantal inschrijvingen en het aantal behaalde diploma’s.[2] Het aantal studenten is mede afhankelijk van de kwaliteit en daarmee wordt er door de financiering gestuurd op kwaliteit. Zoals opgemerkt zijn de verschillen in kwaliteit tussen Nederlandse universiteiten klein waardoor dit een weinig bepalende factor is voor het aantal studenten. Dat de verschillen zo klein zijn heeft onder andere te maken met dat de overheidsbijdrage per student gelijk is. Als de bijdrage per student bij goed presterende universiteiten hoger zou zijn, zou er veel meer gestuurd kunnen worden op kwaliteit. Door de accreditatie, uitgevoerd door de NVAO, is er al een redelijk beeld van het presteren van universiteiten. Een accreditatie vindt één keer in de zes jaar plaats.[3] De beoordeling is onafhankelijk en vindt plaats door deskundigen.[4] Zonder afbreuk te doen aan de kostbare onafhankelijkheid van het onderwijs kan deze beoordeling dus geïntensiveerd worden. Dit kan door frequenter te accrediteren, meer beoordelingscriteria te ontwikkelen en meer toezicht te houden op de naleving hiervan. Onder voorwaarde van een intensivering van het huidige stelsel is het daarmee mogelijk om op grond van de verschillen in kwaliteit die blijken uit de accreditatie te variëren in de overheidsbijdrage per student.

Zoals gezegd worden resultaten van universiteiten met name bepaald door de kwaliteit van het geboden onderwijs en de inherente kwaliteit van studenten zelf. Met een gelijke bijdrage per universiteit worden beide determinanten weinig gestimuleerd. Bij een variabele bijdrage, afhankelijk van de resultaten, worden beide factoren meer gestimuleerd. Er komt een sterke prikkel om de kwaliteit van het geboden onderwijs te verbeteren. Het collegegeld blijft gelijk, waardoor iedereen aan de betere universiteiten zal willen studeren. Deze universiteiten zullen daarom een strenge selectie moeten toepassen. Hierdoor kunnen ze betere studenten aantrekken waarmee ze het betere onderwijs kunnen blijven aanbieden en nog verder kunnen verbeteren. Het gevolg is dat er verschillen tussen universiteiten ontstaan op basis van de kwaliteit van het geboden onderwijs. Om te voorkomen dat de verschillen te groot worden zou er jaarlijks een vast budget verdeeld moeten worden onder alle universiteiten. Hierdoor wordt een viceuze cirkel voorkomen waarbij slechte universiteiten minder goede studenten kunnen aantrekken waardoor ze minder gaan presteren met het gevolg dat hun bijdrage afneemt en ze nog minder zullen presteren. De bijdrage kan namelijk niet achteruit blijven gaan omdat universiteiten een percentage krijgen en niet een bepaald bedrag.

Een variabele overheidsbijdrage kan dus leiden tot een belangrijke prikkel tot het nog hoger tillen van het Nederlandse onderwijsniveau op de Europese ranglijst omdat er meer prikkels zijn om de kwaliteit te verbeteren. Het gaat hierbij om een gemiddelde waarbij niet meer zeven Nederlandse universiteiten acht achtereenvolgende plaatsen op de ranglijst zullen innemen. De beste Nederlandse universiteiten maken daarentegen kans om te concurreren met de beste universiteiten van de wereld. Dan is het nog niet eens gegaan over andere positieve effecten, zoals een minder hoge uitval in het eerste jaar of verderop in de studie, meer gelegenheid tot ontwikkeling van talentvolle studenten, een meer overzichtelijke studiekeuze en naamsbekendheid van Nederlandse topuniversiteiten waar minder presterende universiteiten en andere sectoren van onze kenniseconomie van meeprofiteren. Bij een van de sterkste kenniseconomieën past een van de beste universiteiten. De Leidse Universiteit wellicht?

Alexander Heeres


[1] https://www.timeshighereducation.com/student/best-universities/best-universities-europe

[2] https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/financiering-onderwijs/financiering-hoger-onderwijs

[3] https://www.nvao.net/nl/procedures/nederland/accreditatie-bestaande-opleiding

[4] https://www.nvao.net/nl/panels-nederland

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *