Identiteitspolitiek

De huidige politiek wordt steeds meer bepaald door een debat over cultuur en identiteit, maar dit is niet uit de lucht komen vallen en heeft een diepere achtergrond.

Voor velen is cultuurmarxisme een complottheorie die stelt dat de zelfverklaarde ‘elite’ als doel heeft de ‘westerse’ cultuur te doen laten verdampen, hetzij homeopathisch te verdunnen. De ‘elite’ zou dit doel willen nastreven via het promoten van andere ‘vreemde’ culturen met ‘massa-immigratie’ als middel. Terecht dat het gebruik van cultuurmarxisme in deze context verontwaardiging oproept. Echter zouden critici zich niet blind moeten staren op cultuurmarxistische complottheorieën omdat hierin een andere interpretatie op de achtergrond verdwijnt. Hiermee wordt gewezen naar de ideologische inhoud van de hedendaagse ‘identiteitspolitiek’ (en eventuele kritiek daarop). In dit betoog zal ingegaan worden op de oorsprong van de ideologische rechtvaardiging van de identiteitspolitiek zoals wij die in Europa en Noord Amerika kennen.

Vaak wordt gesteld dat het ‘cultuurmarxisme’ uitgevonden werd in de Frankfurter Schule. Wat in deze groep intellectuelen centraal stond was kritische theorie. Kritische theorie is een grote verzameling van filosofisch, sociologisch en politieke werken die ook zeer uiteenlopen. Zo hebben Hegel, Nietzsche en Marx -op het eerste moment werelden van verschil – allemaal elementen van kritische theorie. Deze vallen samen in hun kritiek op de burgerlijk kapitalistische samenleving die een verlicht vooruitgangsideaal pretendeert. De befaamde Frankfurter Schule werd in de 20ste eeuw het broeinest voor het ter discussie stellen van liberaal democratische instituties. Kritische theorie beperkt zich niet tot het bekritiseren van de bestaande orde, maar poogt ook een alternatief voor te werpen. Dit laatste onderdeel van kritische theorie werd in de jaren 60 opgepakt door enkele (radicaal) linkse bewegingen.

Een prominent figuur binnen de Frankfurter Schule was Herbert Marcuse. In zijn werk uit 1960, The One Dimensional Men, fulmineerde hij tegen de burgerlijk kapitalistische samenleving die mensen enkel tot consument zou reduceren. Studentenorganisaties van het Nieuwe Links van de jaren 60 waren gretig in het overnemen van zijn theorieën. Naast Marx en Mao was Marcuse de derde ‘M’ die met graffiti op schoolgebouwen werd vereeuwigd. Veel belangrijker om de impact van Marcuse op hedendaagse identiteitspolitiek te achterhalen, is zijn begrip: ‘repressieve tolerantie’. Ter illustratie:

‘The small and powerless minorities which struggle against the false consciousness and its beneficiaries must be helped. Their continued existence is more important than the preservation of abused rights and liberties which grant constitutional powers to those who opress these minorities’.

Met andere woorden, rechten en vrijheden leiden tot een situatie van ongelijkheid wat nadelig is voor een bepaalde minderheid. Dit is interessant. Het beeld dat Marcuse schetst komt vaak terug in de redering van de identiteitspolitiek in Nederland. Denk maar aan ‘positieve’ discriminatie. Het is belangrijk om, bijvoorbeeld het politieapparaat, zo divers mogelijk te laten zijn. Hierbij staat niet kwaliteit, maar identiteit op de eerste plaats. Vaak wordt gewezen naar het discriminatoire gehalte van ‘affirmative action’, hier worden mensen immers geselecteerd op hun afkomst, hetgeen in strijd is met Artikel 1 van de grondwet. Pleitbezorgers van diversiteitbeleid wijzen vervolgens op het belang om andere groepen voor te trekken, voor het hogere ideaal van een gelijke afspiegeling. Deze redenatie verloopt kortom parallel met de redenatie van Marcuse. Gelijkheid, betekent niet gelijkheid voor de wet, maar gelijkheid van uitkomst. Gelijke kansen worden veracht, want gelijke kansen zouden eventueel kunnen resulteren tot ongelijke uitkomsten.

Postmodernisme met haar component, de ‘identiteitswetenschap’, vormt weinig verrassend ook een inspiratiebron voor wat wij nu als identiteitspolitiek verstaan. Inlevingsvermogen, kennis van bepaalde zaken of het vermogen om maatschappelijke structuren te doorgronden, zijn gekoppeld aan zogenaamde privileges. Deze privileges worden per identiteit verdeeld, aldus de identiteitspolitiek. Voor een bedrijver van identiteitspolitiek zijn deze privileges bepalend voor het toekennen van autoriteit in een maatschappelijke discussie. Zo worden mannen inzake feministische aangelegenheden geacht zwijgzaam te knikken en zouden witte mensen niet in staat hun eigen racistische instituties te herkennen. De redenering volgt zo: Bepaalde groepen mensen behalen voordeel uit het in stand houden van de bestaande orde. Dit maakt dat zij (wellicht onbewust) niet over het vermogen beschikken om bepaalde inzichten te doorgronden. Mensen worden hier met andere woorden op grond van hun identiteit gediskwalificeerd en hun mening gereduceerd. Max Horkheimer, socioloog en lid van de Frankfurter Schule, stelde al dat identiteit de bepalende factor was voor de intrinsieke waarde van iemands onderzoek. De wetenschappelijke waarheid kan simpelweg niet worden losgekoppeld aan de identiteit. ‘Logic is not indepenent of content’.

Maar is relevantie koppelen aan bijvoorbeeld iemands huidskleur niet inherent racistisch? Ook hier heeft de identiteitspolitiek een ontsnappingsroute gevonden. Zo krijgen begrippen andere definities. Racisme wordt in de identiteitspolitiek verstaan als een combinatie van vooroordelen gekoppeld aan macht. Met andere woorden; minderheden zouden zich niet racistisch kunnen uitlaten omdat zij onderdrukt worden. In dit kader wordt discriminatie van mannen (via vrouwenquota bijvoorbeeld) eerder als ‘verzet’ tegen de hiërarchische onderdrukking dan als seksisme ervaren. Rechtvaardigheid ligt niet in ‘kleurenblindheid’ of in non-discriminatie. Het bevoordelen van zogenaamde (subjectief vastgestelde) onderdrukte groepen is het teken van ‘social justice’, ook als dit ten koste van een andere groep gaat.

Een ander lid van de Frankfurtschule was Theodor Adorno. In zijn boek, ‘de Autoritaire Persoonlijkheid’, betitelde hij vaderlandsliefde, familieloyaliteit en ouderschap tot ‘pathologische’ fenomenen. Hierin zien we ook een belangrijke overeenkomst met de hedendaagse identiteitspolitiek. Andere meningen worden afgedaan als pathologisch of irrationele angsten. Het begrip ‘islamofobie’ is hier een prachtige illustratie van het feit dat opvattingen, bijvoorbeeld een kritische houding naar de Islam (waarbij uiteraard niet gedacht moet worden aan retoriek van de PVV), kan worden gereduceerd tot een fobie of ziekte. Daadwerkelijke inhoudelijke argumentatie speelt bij zulke benamingen uiteraard geen rol meer. De selectie betreft aandachtspunten van identiteitspolitiek blijft vaak beperkt tot het bekritiseren van wat hen goed uitkomt. Zo wordt de moslimgemeenschap de hand boven het hoofd gehouden betreft kritiek over de structureel achtergestelde positie van vrouwen en homoseksuelen. Echter wordt door leden van ‘Radicaal Anarchistisch Feministisch Front’ wel actie ondernomen tegen een Nederlands politicus die onverstandige puberale opmerkingen over vrouwen had geuit. Dit vage ‘bondgenootschap’ tussen vaak linksgeoriënteerde identiteitsdenkers en in dit geval een Nederlandse minderheid in de vorm van moslims, laat zich alleen verklaren binnen het ideologische fundament van identiteitspolitiek. Bepaalde minderheden zijn onderdrukt en dienen daarbij ontzien te worden met het oog op hun emancipatie in een institutioneel onderdrukkend systeem.

In de hedendaagse identiteitspolitiek, dat zich dus kenmerkt door een samenleving van onderdrukkende meerderheden en onderdrukte minderheden, zijn er dus sporen van de kritische theorie van de Frankfurter Schule te ontdekken. Het is echter niet verstandig dit fenomeen met cultuurmarxisme aan te duiden. Ten allereerst zal niemand zichzelf cultuurmarxist noemen, waardoor de definitie uiterst rekbaar is en alleen maar kan worden ‘opgelegd’. Eerder geschetste complottheorieën liggen op de loer net als ‘containerbegrippen’ (zoals de SP dat met neoliberalisme heeft). Echter heeft dit betoog wel de inhoudelijke ideologie van identiteitspolitiek verduidelijkt, en deze dient zeker serieus genomen te worden. Met name op universiteiten waar identiteitspolitiek immers sterk vertegenwoordigd is. Hierbij kenmerkt het academische debat zich door het ter discussie stellen van de fundamenten van een ideologie. Leidt het streven naar gelijke uitkomsten niet per definitie tot een ongelijke behandeling? Wie is in staat om universeel uit te kunnen spreken wie of wat onderdrukt is als we allemaal vast zitten in ons eigen identiteitskader? Hoe kan tot slot worden gesteld dat het koppelen van karaktereigenschappen of autoriteit aan bijvoorbeeld huidskleur niet zelf racistisch is, mits de definiëring van de Dikke van Dale erkend wordt uiteraard.

Wim Hermans

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *