De TU Eindhoven en de mythe van de ‘gelijke afspiegeling’

De Technische Universiteit Eindhoven kondigde onlangs aan voor de komende maanden een rigoureus beleid te voeren. Enkel vrouwen kunnen voor een periode van anderhalf jaar solliciteren op wetenschappelijke functies. Het argument luidt: ‘om de scheefgegroeide verhoudingen recht te trekken.’ Dit argument verraadt meteen al waar het in essentie om gaat. Het gaat hierbij om de gelijkheid van uitkomst in plaats van de gelijkheid van kansen. Het doel is niet zozeer om discriminatie op grond van sekse te bestrijden, maar een bepaalde hoeveelheid specifieke geslachtsorganen te kunnen turven, de zogenaamde ‘gelijke afspiegeling’.

‘Gelijke afspiegeling’ is een vaag begrip. Gaat het hierbij om een representatieve afspiegeling van de verhouding tussen man en vrouw of ook om een representatieve afspiegeling van verschillende huidskleuren, leeftijden, sociaal-economische achtergronden, seksuele voorkeuren, politieke voorkeuren en functiebeperkingen? Het ontbreken van het antwoord op deze vraag is enigszins begrijpelijk. Doordat het begrip ‘gelijke afspiegeling’ niet wordt gedefinieerd kan het altijd als argument worden gebruikt. Dit maakt het echter ook een holle frase. Vervolgens wordt de vraag, of een gelijke afspiegeling per definitie ‘goed’ is, ook stelselmatig genegeerd. Het bestaan van gelijke kansen voor mannen en vrouwen zal in een desbetreffende sector nooit samenvallen met een perfecte 50/50 verhouding. Individuele interesses zijn immers rommelig, onvoorspelbaar en bovenal niet evenredig verdeeld over de geslachten. De TU Eindhoven zou zich moeten afvragen wat precies prioriteit heeft. Wil de TU Eindhoven seksisme uitbannen of wensen zij een gelijke afspiegeling op de werkvloer? Deze doelen zijn namelijk totaal tegenstrijdig. Al is het maar omdat het beschreven beleid inherent seksistisch is.  

Het streven naar ‘gelijke afspiegeling’ wordt nog veel gevaarlijker als aan het ontbreken van een dergelijke gelijke afspiegeling vergaande conclusies worden verbonden. Zo fungeert dit symptoom steevast als reden om seksistische vooroordelen aan de vraagkant te diagnosticeren. Andere factoren zoals het  ontbreken van voldoende aanbod worden vergeten. Gek genoeg wordt deze redenering nooit consistent toegepast. Anders zou je tot de conclusie komen dat mannen grootschalig worden gediscrimineerd in bijvoorbeeld de zorg, het onderwijs en bij overheidsfuncties. Wanneer  seksisme tijdens de selectieprocedure afwezig is, is de uitkomst betreffende sekseverhoudingen dan niet eigenlijk irrelevant?

Wat zijn de andere argumenten van de TU Eindhoven? Bij de verdedigers van het voorkeursbeleid heerst de gedachte dat de maatschappelijke verhoudingen moeten worden ‘rechtgetrokken’. ‘Groep A werd vroeger gediscrimineerd ten behoeve van groep B, dus nu moeten we B discrimineren ten behoeve van A.’ Met het idee dat onder de streep van de ‘rekensom’ het antwoord nul is. Gek genoeg hebben de individuen die nadeel zullen ondervinden (jonge mannelijke studenten), geen enkele invloed in de vermeende achterstelling van de vrouw gehad. Het mannelijke individu wordt als ‘man’ collectief aansprakelijk gesteld voor bepaald beleid. We zien hier dus een vorm van groepsrechtvaardigheid. Dit wordt pijnlijk duidelijk in redeneringen als: ‘mannen moeten niet zo klagen want ze hebben altijd voordeel gehad.’ Individuen worden zo op handige wijze gereduceerd tot het gene wat in de broek wordt aangetroffen.

Een ander argument luidt; ‘dat mannen nou eenmaal andere kwaliteiten op het oog hebben.’ Mannen zijn geprogrammeerd om enkel ‘mannelijke’ kwaliteiten een kans te geven. Daarom zijn er meer vrouwen nodig, zij kunnen immers als enige de ‘vrouwelijke’ kwaliteiten herkennen en waarderen. Dit argument slaat nergens op. Ten eerste zou dit enkel een argument kunnen zijn om een commissie, die gaat over de selectie van aanstaande werknemers, kunstmatig vrouwelijker te maken, niet het hele wetenschappelijke apparaat zelf. Ten tweede zijn er voor de functie van wetenschapper bepaalde universele kwaliteiten vereist die zich niet laten categoriseren in sekse. Ten derde, al zouden mannen deze wetenschappelijke kwaliteiten niet in acht nemen en nou eenmaal gedetermineerd zijn om het patriarchaat in stand te houden, dan hebben we hier ook meteen de kern van het probleem. Vrouwen worden dan te weinig op basis van hun kwaliteit gekozen. Het probleem zit in dat geval dus in de sollicitatieprocedure zelf, niet in het percentage vrouwelijke wetenschappers dat verbonden is aan de TU Eindhoven. Gelijke uitkomsten en gelijke kansen staan dus weer compleet los van elkaar.

Ronald Dworkin is misschien wel een van de meest bekende voorvechters van ‘positieve’ discriminatie op basis van geslacht. Hij trachtte dit te rechtvaardigen met het hypothetische argument dat een vrouw bij gelijkte geschiktheid ten opzichte van de man, eigenlijk toch meer geschikt is. Zij heeft immers alle barrières moeten overbruggen die verbonden zijn aan haar geslacht. Daarom is positieve discriminatie nooit in tegenspraak met gelijke kansen. Deze visie is naar mijn mening onjuist. Ten eerste generaliseert Dworkin hierdoor te stellen dat vrouw zijn automatisch achterstelling met zich meebrengt. Ongetwijfeld komen vrouwen meer hindernissen op de arbeidsmarkt tegen. Het probleem is dat dergelijk ‘groepsbeleid’ ook effect heeft op individuen die slechts toevallig onderdeel van deze groep zijn. Nederlandse Marokkanen zijn vaker betrokken bij winkeldiefstal dan autochtone Nederlanders. Mogen winkeliers preventief Marokkaanse Nederlanders fouilleren bij de ingang? Nee, dan wordt het individu verantwoordelijk gesteld voor de daden van de groep. Waarom wordt dit principe niet toegepast op individuen die bevoordeeld worden enkel op basis van dit ‘groepslidmaatschap’. Al is het maar omdat een groep bevoordelen aan de ene kant, aan de andere kant weer verliezers oplevert.

Ten tweede houdt Dworkin geen rekening met andere factoren die je positie op de arbeidsmarkt kunnen bepalen. Sociale afkomst, intelligentie, uiterlijk en sociale vaardigheden zijn stuk voor stuk factoren die sociale mobiliteit beïnvloeden. Geslacht vormt maar een klein onderdeel hiervan. Alsof een jonge intelligente vrouw uit een hoogopgeleid rijk nest vanaf het begin minder kans had op een bepaalde functie dan een man die uit een laagopgeleid gezin kwam en een laag IQ heeft. Wellicht was het de intentie van Dworkin dat alle eerdergenoemde factoren ook in overweging moesten worden genomen, wat praktisch gezien een onmogelijke sollicitatieprocedure zou opleveren.

Daarom is het beter sollicitanten te selecteren op basis van kwaliteit, waarbij kwaliteit dus geïsoleerd wordt van vermeende groepsgebonden nadelen. Daarom kan de TU Eindhoven beter bij de selectie van mensen op basis van kwaliteit blijven. Een toezichtcommissie (eventueel met een moreel juiste afspiegeling) zou deze functie kunnen vervullen. Talentvolle vrouwen kunnen dan vanzelf in de gewenste verhouding bovendrijven, ervan uitgaande dat het aanbod evenredig is aan het aanbod mannen. Nu legitimeert en rechtvaardigt de TU Eindhoven seksisme, ondanks het aantrekkelijke ideologisch sausje van de gelijke afspiegeling.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *