Conservatieven aller landen, verenigt u

In liberale kringen, en dan in het bijzonder onder jongeren, ontmoet men zelden sympathie voor conservatieve partijen. Hooguit wordt het CDA nog genoemd als een acceptabele coalitiepartner, maar de jongere generatie prefereert inmiddels de samenwerking met D66, de PvdA (denk aan de beruchte Des Indes-overleggen), en zelfs met GroenLinks, het wanproduct van de fusie tussen CPN(!), PSP en PPR. Tekenend is de onderscheiding “liberaal van het jaar” die de JOVD Femke Halsema in 2004 toekende. Hyper-progressieve denkbeelden vinden steeds vaker weerklank bij de VVD, lange tijd een partij van conservatief-liberale signatuur, en de populariteit van radicaal secularisme groeit met de dag.

Het is dan ook hoog tijd de marginalisering van het conservatieve geluid van de VVD (en de JOVD) een halt toe te roepen. Gebeurt dit niet, dan is de kans groot dat ook deze partij verwordt tot een links bolwerk waarvan ons parlement er al teveel telt. Voor de verwezenlijking van een ommekeer is het hoog tijd om scrupuleus de huidige ‘liberale’ partijprogramma’s, Politiek Kernpunten Programma’s, etc., onder de loep te nemen, en na te gaan of zij inderdaad te verenigen zijn met (klassiek) liberale ‘oerbeginselen.’ Om het recht(s)e pad weer in te slaan, is het bijzonder aan te raden om onbevooroordeeld een kijkje te nemen in de keuken bij de enige rechts-conservatieve partij die Nederland rijk is.

Sommige lezers zullen nu misschien een lofzang op Geert Wilders en zijn kompanen vrezen. Wat dat betreft kan ik hen geruststellen: de etnisch-nationalistische boodschap van de PVV leidt in mijn ogen juist af van de omslag in denken die liberalen dienen te maken, namelijk dat de staat in veel gevallen het probleem is, en niet de oplossing. Er is maar één partij die deze boodschap met verve uitdraagt, en dat is de oudste partij van ons land: de SGP.

Politiek geïnteresseerden kennen de grondslagen van de SGP, en deze zijn voor hen vaak al reden genoeg tot dogmatische afwijzing en bespotting, voortspruitend uit een reeks vooroordelen. Hoewel het beginselprogramma van deze partij zeker uitgangspunten bevat die anno 2016 controversieel zijn, is het toch zeker de moeite waard om een blik te werpen op de achterliggende filosofie van de partij, en de praktische uitwerking daarvan in van haar beleid.
Ten eerste is daar de ‘participatiesamenleving.’ In een participatiesamenleving wordt een beroep gedaan op het particulier initiatief ten koste van overheidsingrijpen, bijvoorbeeld op het terrein van de zorg. Dit fenomeen lijkt in opkomst, en wordt door de VVD bejubeld, maar stuit bij de invoering ervan in brede kring op onvrede, onbegrip en verzet. De reden hiervoor is heel eenvoudig: de VVD ziet de participatiemaatschappij als een ordinaire bezuinigingsmaatregel. Voor de SGP daarentegen is het een doel op zichzelf. De partij heeft, gevoed door haar christelijke beginselen, een groter vertrouwen in de zelfredzaamheid van mensen en de kracht van de maatschappij. Artikel 26 van haar beginselprogramma, dat over sociale zorg gaat, laat aan duidelijkheid niets te wensen over:

De christelijke naastenliefde gebiedt de hulp aan de behoeftige medemens. De overheid behoort de hulpverlening in de eerste plaats over te laten aan kerkelijke en particuliere instanties. Zij is wel geroepen hulpverlening aan burgers, die niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien, te stimuleren. In het uiterste geval moet zij rechtstreeks hulp verlenen. Verplichte verzekeringen en sociale verzekeringswetten met een dwangmatig karakter worden afgewezen.
Naastenliefde en sociale cohesie staan centraal in de filosofie van de SGP. De partij gaat ervan uit dat die het beste verwezenlijkt worden indien de overheid zich aanpast aan dit ideaal, en de burger de ruimte laat om in de maatschappij van waarde te zijn, maar ook om hierin tekort te schieten.

Wordt de participatiemaatschappij daarentegen als een bezuinigingsmaatregel benaderd, dan wordt juist weer van de burgers een aanpassing gevraagd, dan blijven liefdevolle mantelzorgers aan bureaucratische terreur blootgesteld, en wordt vrijwilligerswerk nog steeds bestraft door een korting op de uitkering.
Juist liberalen zouden volmondig deze filosofie van zelfredzaamheid moeten omarmen. Dit vraagt een gezond vertrouwen in de kracht van het particulier initiatief, iets wat onder liberalen niet meer vanzelfsprekend is en in menig debat node wordt gemist. Bij een dergelijk vertrouwen past de overheid een bescheiden, faciliterende rol om de zaak vooruit te helpen: faciliterend in de burgerlijke ontwikkeling naar zelfredzaamheid. Eventuele financiële voordelen dienen in dit proces als prettige bijkomstigheid, maar niet als hoofdzaak te worden beschouwd.

Maar er is meer. Bijvoorbeeld de belasting op het gezinsinkomen. Op dit moment wordt het verzamelinkomen van een gezin waarvan beide partners werken, veel minder zwaar belast dan het inkomen van een eenverdienersgezin. Een gezin waarin één persoon twee keer modaal verdient, draagt veel meer af dan een gezin waarin beide partners werken en één keer modaal verdienen. Op zichzelf lijkt dit heel logisch, maar wie pleit voor een participerende rol van de burger, en wie de effecten daarvan gebruikt om te korten op zaken als kinderopvang, zou het werk van die participerende burger (in dit geval de thuisblijvende ouder in een éénverdienersgezin) ook fiscaal moeten waarderen. Omdat getrouwde stellen in veel gevallen gezamenlijk over elkaars inkomen beschikken, en een groot deel van hun uitgaven gemeenschappelijk zijn (hypotheek, zorg voor de kinderen, etc.), is het ook helemaal niet vreemd om de waarde van het gezin als sociale structuur te erkennen, en voor belastingheffing op het gezinsinkomen te pleiten. Onder zo’n belastingregime wordt men niet financieel gestraft voor andere keuzes in de levensinvulling dan een voltijdsbaan. Men kan tenslotte onmogelijk burgers berispen op grond van hun gebrek aan maatschappelijke participatie en tegelijkertijd financiële prikkels in stand houden die haaks staan op de ontwikkeling van meer betrokkenheid bij de directe omgeving.
De SGP is met haar visie zeker niet revolutionair, maar de VVD haalt voor deze ideeën doorgaans haar neus op. De vraag is gerechtvaardigd of de weerzin van de VVD tegen dit soort maatregelen wel terug te voeren is tot liberale beginselen. Eenieder zich het maximaliseren van individuele vrijheid binnen billijke grenzen tot hoogste doel stelt, zou tot de conclusie moeten komen dat het de staat niet past toekomt om een bepaalde levensstijl op te leggen, te stimuleren of zelfs maar te propageren. Binnen de grenzen der wet geeft ieder individu zijn eigen leven vorm. (afgezien van bepaalde groepen, zoals minderjarigen, die een zekere bescherming dienen te genieten tegenover de willekeur van hun omgeving.)

Hoewel de SGP op bepaalde punten een grote weerzin koestert tegen maatschappelijke sturing, maakt dit van een SGP-er uiteraard nog geen liberaal. De filosofische rechtvaardigingen van een traditionele SGP-er voor de participatiesamenleving wijken sterk af van de liberale. Toch is het mijns inziens belangrijk dat wij inzien dat we de zorg van een moeder voor haar kinderen kunnen waarderen zoals we een betaalde baan waarderen, zonder dat wij daarmee meteen de vrouw aan haar man vastketenen. Het is belangrijk dat wij kunnen pleiten voor een gelijk loon voor vrouwen en mannen, zonder meteen door te slaan in pleidooien voor quota’s en klaagzangen over glazen plafonds.
In de praktijk blijkt dit echter voor vele liberalen een zeer lastige omslag in denken. Zij menen namelijk dat liberale beginselen onlosmakelijk verbonden zijn met progressiviteit. Natuurlijk kan een liberaal tegelijkertijd progressief zijn, maar hij is dat zeker niet per definitie. Een liberaal dient, ter maximalisering van de individuele vrijheid, te pleiten voor een scheiding tussen kerk en staat. Maar het voorstaan van een neutrale rol van de staat verplicht de liberaal niet om zich uitdrukkelijk tegen iedere religieuze waarde of ieder principe te keren. Deze laatste overtuiging wordt echter in liberale kringen nog steeds breed gedeeld, en is de belangrijkste oorzaak van de aan het begin genoemde dogmatische afwijzing.

Als de moedige Gallische dorpelingen uit Asterix en Obelix houden de mannenbroeders van de SGP al sinds 1918 stand in een almaar progressiever, seculier-activistischer land. Maar zij kunnen het niet alleen. Net als op de schouders van de voormannen van de SGP rust op liberale schouders immers de taak om radicaal secularisme te ontmaskeren als een ideologie die aanzienlijk minder neutraal is dan zij op het eerste gezicht lijkt. Liberalen hebben de verantwoordelijkheid om te pleiten voor een levensbeschouwelijk waarlijk neutrale rol van de staat, en te laten zien dat conservatieve waarden net zo goed (of misschien wel beter) te rijmen zijn met het liberalisme. Dit debat opnieuw aanzwengelen binnen de grote partijen en de maatschappelijke arena is een van de grootste uitdagingen waar de huidige generatie politiek talent voor staat.

-Ward Strengers

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *